Doof / Slechthorend

Gehoorverlies heeft op allerlei manieren gevolgen voor je dagelijks leven.

Doof of slechthorend

Mensen die doof of slechthorend zijn, horen minder of geen gesproken taal. Ze hebben dus minder toegang tot communicatie via bijvoorbeeld gesprekken, lessen of filmpjes.
Soms zijn daardoor ook geschreven teksten van kranten, boeken en websites voor hen minder goed te volgen. En als je jezelf niet goed hoort praten, is het vaak ook moeilijker om jezelf verstaanbaar te maken.

Vanaf de geboorte

Als iemand doof of slechthorend wordt geboren, noemen we dat meestal vroegdoof. Een kind dat al jong doof of slechthorend is, mist veel. Je hoort geen of minder gesproken taal en omgevingsgeluiden. Je sociale interactie is anders dan bij horende kinderen. Daarom wordt al vroeg gestart met het op gang brengen van de taalontwikkeling. Dat kan met communicatie- en interactietrainingen, door het leren van gebarentaal en met hoorhulpmiddelen.

Op latere leeftijd

Wordt iemand op latere leeftijd geleidelijk doof of ernstig slechthorend, dan noemen we dat laatdoof. En als het plotseling gebeurt, spreken we van plotsdoof. Iemand die eerst horend is geweest, heeft meestal een gewone taalontwikkeling gehad. Mensen die op latere leeftijd slechthorend of doof worden kunnen baat hebben bij gehoorapparaten, CI’s en andere hulpmiddelen, zoals ringleiding of solo-apparatuur.

Cochleaire implantaten

Veel kinderen die ernstig slechthorend of doof zijn, krijgen cochleaire implantaten (CI’s). Een CI kan geluidssignalen via de zenuwen doorgeven aan de hersenen. Er is altijd een operatie voor nodig, en daarna nog intensieve revalidatie. De meeste kinderen hebben er uiteindelijk veel baat bij. Maar dan nog krijgen ze vaak niet alles mee wat horende kinderen meekrijgen. Hun gesproken taal en hun leesvaardigheid kunnen daardoor achterblijven. En soms ondervinden ze sociaal-emotionele problemen, bijvoorbeeld door isolement of informatieachterstand.

Gebarentaal en tolken

Dove en slechthorende mensen gebruiken vaak gebarentaal. De Nederlandse gebarentaal is een volwaardig taal. Voor sommige mensen is het de eerste taal, voor andere is dat de gesproken taal.

Dove en slechthorende mensen maken ook vaak gebruik van tolken. Voor vroegdove mensen is dat vaak een tolk Nederlandse Gebarentaal. De tolkgebruiker en de tolk communiceren dan onderling in gebarentaal. Plots- of laatdove mensen zetten vaak een tolk Nederlands met Gebaren (NmG) in, een combinatie van Nederlandse Gebarentaal en gesproken Nederlands. Schrijftolken zetten gesproken taal om in geschreven taal. Ze worden vaak ingezet door slechthorende en plots- of laatdove mensen.